schreeuwen
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
- Geluid: schreeuwen (hulp, bestand)
- IPA:
- (Noord-Nederland): /ˈsxreːwə(n)/
- (Vlaanderen, Brabant, Limburg): /ˈsxrewə(n)/
Woordafbreking
- schreeu·wen
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| schreeuwen |
schreeuwde |
geschreeuwd |
| zwak -d | volledig | |
Werkwoord
schreeuwen
- (inergatief) luid en geforceerd gebruik van het stemgeluid
- "Pas op!", schreeuwde hij.
Vertalingen
1. luid en geforceerd gebruik van het stemgeluid
Zelfstandig naamwoord
schreeuwen mv
- meervoud van het zelfstandig naamwoord schreeuw