schoonmaken
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- schoon·ma·ken
Woordherkomst en -opbouw
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| schoonmaken |
maakte schoon |
schoongemaakt |
| zwak -t | volledig | |
Werkwoord
schoonmaken
- (overgankelijk) reinigen
- Hij moest voor straf zijn hele kamer schoonmaken.