schenken

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • schen·ken
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
schenken
schonk
geschonken
klasse 3 volledig

Werkwoord

schenken

  1. (ditransitief) geven, cadeau doen; doneren
    Zij schonken hem een een stuk land.
    Hem werd een stuk land geschonken.
    Hij kreeg een stuk land geschonken.
  2. (overgankelijk) in een ander vat laten vloeien, overgieten
    De wijn werd in de glazen geschonken.
Afgeleide begrippen
Vertalingen