schenken
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- schen·ken
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| schenken |
schonk |
geschonken |
| klasse 3 | volledig | |
Werkwoord
schenken
- (ditransitief) geven, cadeau doen; doneren
- Zij schonken hem een een stuk land.
- Hem werd een stuk land geschonken.
- Hij kreeg een stuk land geschonken.
- (overgankelijk) in een ander vat laten vloeien, overgieten
- De wijn werd in de glazen geschonken.
Afgeleide begrippen
Vertalingen
1. geven
|
|