ruiter
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- rui·ter
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | ruiter | ruiters |
| verkleinwoord | ruitertje | ruitertjes |
Zelfstandig naamwoord
ruiter m
- de berijder van een rijdier, meestal een paard
- De ruiter ging er in galop vandoor.
- iets dat ergens op zit en er boven uit steekt
- Je stelt de tabulator op deze schrijfmachine in door een ruitertje te plaatsen.
- De ruitertjes op de hangmappen geven overzicht.
- een verticale plank op een nokgording ter ondersteuning van de nokvorsten
- De ruiter werd door de timmerman op de nokgording aangebracht.
Meer informatie
- Zie Wikipedia voor meer informatie.