rij
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
- IPA:
- (Noord-Nederland): /rɛɪ̯/
- (Vlaanderen, Brabant): /rɛː/
- (Limburg): /rɛɪ̯/
Woordafbreking
- rij
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | rij | rijen |
| verkleinwoord | rijtje | rijtjes |
Zelfstandig naamwoord
- geordende opstelling van een aantal eenheden in één richting
- We stonden drie uur in de rij voor we de tentoonstelling binnen mochten.
- (wiskunde) een opeenvolging van elementen
Uitdrukkingen en gezegden
- vier op een rij
Vertalingen
1. geordende opstelling van een aantal eenheden in één richting
2. een opeenvolging van elementen
vier op een rij
|
Meer informatie
- Zie Wikipedia voor meer informatie.
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| rijden |
rij
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van rijden
- Ik rij.
- gebiedende wijs van rijden
- Rij!
- (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van rijden
- Rij je?
Kaqchikel
Zelfstandig naamwoord
rij
- (anatomie) rug
- (plantkunde) bast, schil