rij

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • rij
enkelvoud meervoud
naamwoord rij rijen
verkleinwoord rijtje rijtjes

Zelfstandig naamwoord

rij v/m

  1. geordende opstelling van een aantal eenheden in één richting
    We stonden drie uur in de rij voor we de tentoonstelling binnen mochten.
  2. (wiskunde) een opeenvolging van elementen
Uitdrukkingen en gezegden
  • vier op een rij
Vertalingen

Meer informatie

Werkwoord

vervoeging van
rijden

rij

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van rijden
    Ik rij.
  2. gebiedende wijs van rijden
    Rij!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van rijden
    Rij je?


Kaqchikel

Zelfstandig naamwoord

rij

  1. (anatomie) rug
  2. (plantkunde) bast, schil