bast

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bast
enkelvoud meervoud
naamwoord bast basten
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

bast m

  1. buitenste laag van een boom, meestal het geheel van schors en aangroeilaag
  2. fluweelachtige huid rond een nieuw gewei
  3. (volkstaal) lichaam: gisteren nog in blote bast op 't strand, nu alweer aan 't werk
Vertalingen
1.

Werkwoord

vervoeging van
bassen

bast

  1. tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bassen
    Jij bast.
  2. derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bassen
    Hij bast.
  3. verouderde gebiedende wijs meervoud van bassen
    Bast!

Meer informatie