bast
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- bast
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | bast | basten |
| verkleinwoord |
Zelfstandig naamwoord
bast m
- buitenste laag van een boom, meestal het geheel van schors en aangroeilaag
- fluweelachtige huid rond een nieuw gewei
- (volkstaal) lichaam: gisteren nog in blote bast op 't strand, nu alweer aan 't werk
Vertalingen
- 1.
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| bassen |
bast
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bassen
- Jij bast.
- derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bassen
- Hij bast.
- verouderde gebiedende wijs meervoud van bassen
- Bast!
Meer informatie
- Zie Wikipedia voor meer informatie.