paprika

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken
[1] Paprika (plant).
[2] Paprika's (vrucht).

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • pa·pri·ka
enkelvoud meervoud
naamwoord paprika paprika's
verkleinwoord paprikaatje paprikaatjes

Zelfstandig naamwoord

paprika v/m

  1. (plantkunde) een bepaalde gekweekte vorm van de Capsicum annuum
  2. (groente) de vrucht van deze plant
Verwante begrippen
Vertalingen
Onderstaande vertalingen dienen nagekeken te worden en omgezet in de bovenstaande tabellen. Nummers na de vertalingen komen niet noodzakelijk overeen met de opgegeven definities. Voor meer uitleg zie WikiWoordenboek:Hoe vertalingen nakijken.

Meer informatie

  • Zie Wikipedia voor meer informatie.
    [3] Paprika (krydder).
    Paprikapoeder (kruid)


Noors

Uitspraak
Woordafbreking
  • pap·ri·ka
Woordherkomst en -opbouw
  • Afkomstig uit het Ungaars.

Zelfstandig naamwoord

paprika m

  1. (plantkunde) paprika (plant)
    «Paprika finnes i mange farger.»
    Paprika is in veel kleuren te krijgen.
  2. (groente) paprika (vrucht)
  3. paprikapoeder (kruid)
Verbuiging
  enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief   paprika     paprikaen     paprikaer     paprikaene  
genitief   paprikas     paprikaens     paprikaers     paprikaenes  
Synoniemen
Hyperoniemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Typische woordcombinaties
  • [2] grønn paprika
groene paprika
  • [2] rød parika
rode paprika


Nynorsk

Uitspraak
Woordafbreking
  • pap·ri·ka
Woordherkomst en -opbouw
  • Afkomstig uit het Ungaars.

Zelfstandig naamwoord

paprika m

  1. (plantkunde) paprika (plant)
  2. (groente) paprika (vrucht)
  3. paprikapoeder (kruid)
Verbuiging
  enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief   paprika     paprikaen     paprikaer     paprikaene  
genitief                        
Synoniemen
Hyperoniemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Typische woordcombinaties
  • [2] grøn paprika
groene paprika
  • [2] raud parika
rode paprika