vestigen
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- ves·ti·gen
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| vestigen |
vestigde |
gevestigd |
| zwak -d | volledig | |
Werkwoord
vestigen
- stichten, beginnen, oprichten
- Een kantoor vestigen.
- richten.
- De aandacht vestigen.
- (wederkerend) zich ~ (van personen): er gaan wonen
- Zij vestigden zich bij de grootouders.
Vertalingen
1. stichten