vestigen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ves·ti·gen
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
vestigen
vestigde
gevestigd
zwak -d volledig

Werkwoord

vestigen

  1. stichten, beginnen, oprichten
    Een kantoor vestigen.
  2. richten.
    De aandacht vestigen.
  3. (wederkerend) zich ~ (van personen): er gaan wonen
    Zij vestigden zich bij de grootouders.
Vertalingen
Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Zusterprojecten
Hulpmiddelen
In andere talen