nek
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- nek
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | nek | nekken |
| verkleinwoord | nekje | nekjes |
Zelfstandig naamwoord
nek m
- (anatomie) achterste gedeelte van de hals
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
- iemand met zijn nek aankijken
iemand minachtend behandelen
- iemand op zijn nek zitten
iemand continu controleren om te zien of hij het opgedragen werk goed doet, al af heeft, etc.
- Ik heb geen ogen in mijn nek!
Ik kan niet zien wat er achter me gebeurt!
- nek aan nek
op gelijke positie voortgaan bij een race
- over zijn nek gaan
overgeven
- tot aan zijn nek in de schulden zitten
heel veel schulden hebben
- uit zijn nek praten
onzin praten
- Ik breek mijn nek over de rommel!
Er is heel veel rommel!
Vertalingen
1. achterste gedeelte van de hals
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| nekken |
nek