nek

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • nek
enkelvoud meervoud
naamwoord nek nekken
verkleinwoord nekje nekjes

Zelfstandig naamwoord

nek m

  1. (anatomie) achterste gedeelte van de hals
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • iemand met zijn nek aankijken
iemand minachtend behandelen
  • iemand op zijn nek zitten
iemand continu controleren om te zien of hij het opgedragen werk goed doet, al af heeft, etc.
  • Ik heb geen ogen in mijn nek!
Ik kan niet zien wat er achter me gebeurt!
  • nek aan nek
op gelijke positie voortgaan bij een race
  • over zijn nek gaan
overgeven
  • tot aan zijn nek in de schulden zitten
heel veel schulden hebben
  • uit zijn nek praten
onzin praten
  • Ik breek mijn nek over de rommel!
Er is heel veel rommel!
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
nekken

nek

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van nekken
    Ik nek.
  2. gebiedende wijs van nekken
    Nek!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van nekken
    Nek je?