momentum

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • mo·men·tum
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord momentum -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

momentum o

  1. een moment waarop het belangrijk lijkt door te zetten of te gaan doen.
    Door zijn lange aarzeling verloor hij het momentum.


Engels

Uitspraak
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
momentum momenta
momentums

Zelfstandig naamwoord

momentum

  1. (natuurkunde) impuls, de massa vermenigvuldigd met de snelheid.
  2. vaart, gang.
    «In this collision the larger car had considerable momentum
    Bij deze botsing had de grotere auto een flinke vaart.
    «His political campaign had little momentum
    Er zat weinig vaart in zijn politieke campagne.


Latijn

Woordafbreking
  • mo·men·tum
Woordherkomst en -opbouw
  • Samentrekking van *movimentum, dat afgeleid is van mŏvēre met het achtervoegsel -mentum.

Zelfstandig naamwoord

mōmĕntum o

    1. beweging
    2. (overdr.)
      1. afstand
        1. tijdperk, tijdsafdeling, ogenblik
        2. onderdeel van een rede
        3. uitgangspunt
      2. beslissing, uitslag, verandering
    1. beweegkracht, stoot, druk, zwaarte
    2. (fig.)
      1. invloed, oorzaak, beweeggrond
      2. aanwending van krachten, van middelen
      3. beslissende kracht, invloed, gewicht, betekenis
Verbuiging