impuls
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- im·puls
- Naamwoord van handeling van impulseren
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | impuls | impulsen |
| verkleinwoord |
Zelfstandig naamwoord
impuls m
- innerlijke drang, opwelling bijv. een driftimpuls, dwangimpuls
- Meestal wint de ratio het over de dierlijke impuls.
- (natuurkunde) een vector wiens lengte gelijk is aan het product van massa en snelheid
- stimulering, een duw in de rug bijv. een groei-impuls, kwaliteitsimpuls
- Dalende olieprijzen zouden de Nederlandse economie een positieve impuls kunnen geven.
- (elektrotechniek) kortstondige elektrische spanning of stroom (de ideale puls is oneindig kort en heeft een energieinhoud van één)
- (medisch) wat door een zenuw als gevolg van een prikkel overgebracht wordt, zenuwprikkel
Synoniemen
Hyponiemen
- bestedingsimpuls, decentralisatie-impuls, driftimpuls, dwangimpuls, groei-impuls, handelingsimpuls, kwaliteitsimpuls, stuurimpuls, zendimpuls, zenuwimpuls
Afgeleide begrippen
Vertalingen
1. innerlijke drang
2. product van massa en snelheid
Meer informatie
- Zie Wikipedia voor meer informatie.