sondern

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Duits

Uitspraak
stamtijd
infinitief verleden
tijd
voltooid
deelwoord
sondern
sonderte
gesondert
volledig

Werkwoord

sondern

  1. (overgankelijk) scheiden, afzonderen

Voegwoord

sondern

  1. maar
    «Ich bin kein Arzt, sondern Lehrer.»
    Ik ben geen dokter, maar een leraar.