lus

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • lus
enkelvoud meervoud
naamwoord lus lussen
verkleinwoord lusje lusjes

Zelfstandig naamwoord

lus v/m

  1. een kring aangebracht in een touw of band
    Er zit een lusje aan om het op te kunnen hangen.
  2. een seriematige herhaling.
    's Nachts wordt er op televisie een lus van journaals uitgezonden.
Afgeleide begrippen


Afrikaans

enkelvoud meervoud
naamwoord lus luste

Zelfstandig naamwoord

enkelvoud meervoud
naamwoord lus lusse

lus

  1. lust, zin
    «Ek het niet lus om te eet nie.»
    Ik heb geen zin om te eten.
  2. lus


En lus.
Een luis.


Noors

Uitspraak
Woordafbreking
  • lus
Woordherkomst en -opbouw
  • Afkomstig van het Oudnoorse woord lús.

Zelfstandig naamwoord

lus g

  1. (dierkunde) luis
    «Når en lus er klekket, må den ha blod innen 24 timer for å overleve.»
    Wanneer een luis uitgekomen is, moet het binnen 24 uur bloed hebben om te overleven.
  2. (dierkunde) een luisachtig dier
  3. (kleding) enkele maas van een andere kleur dan de basiskleur in gebreide goederen.
  4. (pejoratief) vrek, schraper, gierigaard
  5. (pejoratief) schraalhans, tobber, drommel, stakker
  6. (plantkunde) harig zaad in rozenbottels.
Verbuiging
Synoniemen
Afgeleide begrippen


Nynorsk

Uitspraak
Woordafbreking
  • lus
Woordherkomst en -opbouw
  • Afkomstig van het Oudnoorse woord lús.

Zelfstandig naamwoord

lus m

  1. (dierkunde) luis
  2. (dierkunde) een luisachtig dier
  3. (kleding) enkele maas van een andere kleur dan de basiskleur in gebreide goederen.
  4. (pejoratief) vrek, schraper, gierigaard
  5. (pejoratief) schraalhans, tobber, drommel, stakker
  6. (plantkunde) harig zaad in rozenbottels.
Verbuiging
Synoniemen
Afgeleide begrippen


Zweeds

Uitspraak
Woordafbreking
  • lus

Zelfstandig naamwoord

lus g

  1. (dierkunde) luis
Verbuiging
Afgeleide begrippen
Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Zusterprojecten
Hulpmiddelen
In andere talen