kussen
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- kus·sen
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | kussen | kussens |
| verkleinwoord | kussentje | kussentjes |
Zelfstandig naamwoord
kussen o
- een met zacht materiaal gevulde zak, dienende om het (slaap)comfort van de gebruiker te verbeteren
- Hij slaapt altijd met twee kussens.
Vertalingen
1. een met zacht materiaal gevulde zak, dienende om het (slaap)comfort van de gebruiker te verbeteren
Afgeleide begrippen
Zelfstandig naamwoord
kussen mv
- meervoud van het zelfstandig naamwoord kus
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| kussen |
kuste |
gekust |
| zwak -t | volledig | |
Werkwoord
kussen
- (overgankelijk) een kus geven
- Na het uitspreken van het jawoord mocht hij de bruid kussen.