kunnen
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Woordherkomst en -opbouw
Van Proto-Germaans *kunnan, van Proto-Indo-Europees *ǵnH₃-, of *ǵneH₃- <<kennen>>, vanwaar Latijn noscere
Lettergrepen
- kun·nen
Werkwoord
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| kunnen |
kon konden |
gekund |
| onregelmatig | volledig | |
kunnen ; in staat zijn
Vertalingen
1. in staat zijn

