kunnen
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- kun·nen
Woordherkomst en -opbouw
|
|
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| kunnen |
kon |
gekund |
| onregelmatig | volledig | |
Werkwoord
kunnen
- (modaal werkwoord) in staat zijn
- Je kunt daarover nog veel meer zeggen.
- (Limburg) kennen.
Vaste voorzetsels
- af kunnen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
- (er niet) over uit kunnen
Vertalingen
1. in staat zijn
af kunnen