kribbebijter

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • krib·be·bij·ter
Woordherkomst en -opbouw
  • Samengesteld uit "krib(be)" en "bijter"
enkelvoud meervoud
naamwoord kribbebijter kribbebijters
verkleinwoord kribbebijtertje kribbebijtertjes

Zelfstandig naamwoord

kribbebijter m

  1. (dierkunde) een ezel of paard met de ondeugd om aan de voerbak of staldeur te knagen
    Geef het paard geen suikerklontjes, anders wordt het een kribbebijter.
  2. (psychologie) een chagrijnig persoon die met iedereen overhoop ligt
    Is er nu alweer heibel met die griet, wat is het toch een kribbebijtster.
Synoniemen
Antoniemen
Verwante begrippen
Vertalingen