kribbebijten
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- krib·be·bij·ten
Woordherkomst en -opbouw
- Samengesteld uit "krib(be)" en "bijten"
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| kribbebijten |
- |
- |
| onvolledig | ||
Werkwoord
kribbebijten
- (dierkunde) een ondeugd van ezels en paarden om aan de voerbak of staldeur te knagen
- Geef de paarden geen suikerklontjes, anders gaan ze kribbebijten.
- (psychologie) in een narrige bui met iedereen ruzie maken
- Is hij alweer aan het kribbebijten? Hij heeft wel vaak de pest in tegenwoordig.
Synoniemen
- [2] bekvechten, hakketakken, kibbelen, kiften, kribben, ruziemaken, tegenstribbelen, twisten, vitten
Antoniemen
- [2] inschikken, vleien
Verwante begrippen
Vertalingen
2. ruzie zoeken