kleinkind

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • klein·kind
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord kleinkind kleinkinderen
verkleinwoord kleinkindje kleinkindjes

Zelfstandig naamwoord

kleinkind o

  1. (familie) het kind van iemands kind
    Ik stel mijn kleinkind even aan je voor.
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Meer informatie


Afrikaans

Uitspraak
  • IPA: /ˈkləɪ̯ŋkənt/
enkelvoud meervoud
naamwoord kleinkind kleinkinders

Zelfstandig naamwoord

kleinkind

  1. kleinkind