maal

Uit WikiWoordenboek

Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • maal

Zelfstandig naamwoord

enkelvoud meervoud
naamwoord maal malen
verkleinwoord maaltje maaltjes

maal, v; telkens terugkerend tijdstip waarop iets gebeurt

  1. maal, o; de handeling van eten zoals die dagelijks op geregelde tijden plaatsvindt
Synoniemen
  1. keer
  2. maaltijd
Vertalingen
1.
2.

Werkwoord

vervoeging van
[[{{{1}}}/vervoeging|{{{1}}}]]

maal

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van [[{{{1}}}]]
    Ik maal.
  2. gebiedende wijs van [[{{{1}}}]]
    Maal!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van [[{{{1}}}]]
    Maal je? van malen
Persoonlijke instellingen