maal
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
-
- IPA: /ma:l/
Woordafbreking
- maal
Zelfstandig naamwoord
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | maal | malen |
| verkleinwoord | maaltje | maaltjes |
maal, v; telkens terugkerend tijdstip waarop iets gebeurt
Synoniemen
Vertalingen
- 1.
1.
- 2.
Werkwoord
| vervoeging van |
| [[{{{1}}}/vervoeging|{{{1}}}]] |
maal
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van [[{{{1}}}]]
- Ik maal.
- gebiedende wijs van [[{{{1}}}]]
- Maal!
- (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van [[{{{1}}}]]
- Maal je? van malen