maal

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • maal
enkelvoud meervoud
naamwoord maal malen
verkleinwoord maaltje maaltjes

Zelfstandig naamwoord

maal

  1. v telkens terugkerend tijdstip waarop iets gebeurt
    Dit was de tweede maal dat zijn pet werd afgeblazen door de wind.
  2. o de handeling van eten zoals die dagelijks op geregelde tijden plaatsvindt
    Elke avond stond er weer een heerlijk maal klaar.
Synoniemen
Hyponiemen
Hyponiemen
Anagrammen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
malen

maal

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van malen
    Ik maal.
  2. gebiedende wijs van malen
    Maal!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van malen
    Maal je?