maal
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- maal
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | maal | malen |
| verkleinwoord | maaltje | maaltjes |
Zelfstandig naamwoord
maal
- v telkens terugkerend tijdstip waarop iets gebeurt
- Dit was de tweede maal dat zijn pet werd afgeblazen door de wind.
- o de handeling van eten zoals die dagelijks op geregelde tijden plaatsvindt
- Elke avond stond er weer een heerlijk maal klaar.
Synoniemen
Anagrammen
Vertalingen
1. telkens terugkerend tijdstip waarop iets gebeurt
2. de handeling van eten zoals die dagelijks op geregelde tijden plaatsvindt
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| malen |
maal