jerk

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Engels

Uitspraak

Bijvoeglijk naamwoord

stellend vergrotend overtreffend
jerk more jerk most jerk

jerk

  1. (kookkunst) (om vlees) gekruid, verpakt in bladeren van de pimentboom en gebarbecued
Typische woordcombinaties
enkelvoud meervoud
jerk jerks

Zelfstandig naamwoord

jerk

  1. stuiptrekking
  2. ruk
  3. (scheldwoord), (spreektaal) gek, oen, zot
Synoniemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • [1]: to give a jerk
rukken
ineenkrimpen
(figuurlijk) naar voren schieten
  • [1]: to put a jerk in it
iets grootschalig aanpakken
  • [2]: with a jerk
met een ruk
  • [3]: filthy jerk
snertvent
vervoeging
onbepaalde wijs to jerk
he/she/it jerks
verleden tijd jerked
voltooid
deelwoord
jerked
onvoltooid
deelwoord
jerking
gebiedende wijs jerk

Werkwoord

jerk

  1. (onovergankelijk) lillen, stuiptrekken
  2. (overgankelijk) vlees kruiden, in bladeren van de pimentboom verpakken en barbecueën
Synoniemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • [1]: to clean and jerk
(bij het gewichtheffen) stoten
  • [1]: to jerk (a wheel) violently
(het stuur) omgooien
  • (VS) jerk around
foppen, voor de gek houden, bedotten, beethebben, bij de neus nemen, fikfakken, stoeien
  • jerk away
wegrukken
  • (VS) jerk off
rukken, slabakken