jammeren

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • jam·me·ren
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
jammeren
jammerde
gejammerd
zwak -d volledig

Werkwoord

jammeren

  1. (inergatief) klagende, huilende geluiden maken
    Zij jammerde dat haar geld gestolen was.
Synoniemen
Verwante begrippen
Vertalingen

Zelfstandig naamwoord

jammeren mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord jammer
Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Zusterprojecten
Hulpmiddelen