insult

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • in·sult
enkelvoud meervoud
naamwoord insult insulten
verkleinwoord insultje insultjes

Zelfstandig naamwoord

insult o

  1. (medisch) een epileptische aanval, een toeval
    Ook deze patiënte kreeg een insult en overleed later.
  2. iets beledigends
    Een insult tegen de homo's.
Synoniemen
Verwante begrippen
Vertalingen

Meer informatie