aanval

Uit WikiWoordenboek

Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • aan·val
enkelvoud meervoud
naamwoord aanval aanvallen
verkleinwoord aanvalletje aanvalletjes

Zelfstandig naamwoord

aanval m

  1. een poging de tegenpartij geweld aan te doen of van zijn positie te beroven.
    De man werd blind na de aanval door een wild dier.
Vertalingen

Meer informatie


Limburgs

Uitspraak

Zelfstandig naamwoord

aanval m

  1. (Hooglimburgs) aanval.
Verbuiging
enkelvoud meervoud
geheel gemuteerd verkleind gemuteerd verkleind geheel gemuteerd verkleind gemuteerd verkleind
nominatief aanval - aanvelke - aanveller - aanvelkes -
genitief aanvals - aanvelkes - aanveller - aanvelkes -
locatief aanvalles - aanvalleske - aanvallese - aanvalleskes -
datief aanvalle - aanvelke - aanveller - aanvelkes -
accusatief aanval - aanvelke - aanveller - aanvelkes -
Persoonlijke instellingen