aanval

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • aan·val
enkelvoud meervoud
naamwoord aanval aanvallen
verkleinwoord aanvalletje aanvalletjes

Zelfstandig naamwoord

aanval m

  1. een poging de tegenpartij geweld aan te doen of van zijn positie te beroven
    De man werd blind na de aanval door een wild dier.
  2. (medisch) plotselinge, vaak kortstondige, aandoening bijv. een griepaanval, hartaanval etc.
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
aanvallen

aanval

  1. (in een bijzin) eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van aanvallen
    ... dat ik aanval.

Meer informatie


Limburgs

Uitspraak

Zelfstandig naamwoord

aanval m

  1. (Hooglimburgs) (medisch) aanval
Verbuiging