herbergen
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- her·ber·gen
Werkwoord
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| herbergen |
herbergde |
geherbergd |
| zwak -d | volledig | |
herbergen
- (overgankelijk) huisvesten.
- Door het noodweer was hij verplicht om de hele wandelgroep in zijn huis te herbergen.
- (overgankelijk) tot verblijf dienen.
- Die kom herbergt vier vissen, wat erg uitzonderlijk is.
- (overgankelijk) bevatten.
- Voor zo'n dun boek herbergt het erg veel informatie.
Vertalingen
1. huisvesten
2. tot verblijf dienen
Zelfstandig naamwoord
herbergen mv
- naamwoord meervoud van herberg