heen
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- heen
| vnw. bijw. | ||
|---|---|---|
| voorzetselbijwoord | heen | |
| persoonlijk | erheen | |
| aanwijz. | nabij | hierheen |
| veraf | daarheen | |
| vragend/betrekk. | waarheen | |
Bijwoord
heen
- bijwoordelijk deel van een scheidbaar werkwoord: weg
- Heengaan - hij ging heen.
- prepositionaal deel van een voornaamwoordelijk bijwoord: in de richting van, naartoe
- Erheen - hij ging er snel heen.
- scheidbaar deel van sommige bijwoorden en voorzetsels, bijvoorbeeld overheen, achterheen
- Hij reed over de brug heen.
- ~ en weer: in een bepaalde richting en weer terug
- De schommel ging heen en weer en de kinderen genoten.