heen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • heen
  vnw. bijw.
  voorzetselbijwoord     heen  
 persoonlijk     erheen  
aanwijz.   nabij     hierheen  
  veraf     daarheen  
  vragend/betrekk.     waarheen  

Bijwoord

heen

  1. bijwoordelijk deel van een scheidbaar werkwoord: weg
    Heengaan - hij ging heen.
  2. prepositionaal deel van een voornaamwoordelijk bijwoord: in de richting van, naartoe
    Erheen - hij ging er snel heen.
  3. scheidbaar deel van sommige bijwoorden en voorzetsels, bijvoorbeeld overheen, achterheen
    Hij reed over de brug heen.
  4. ~ en weer: in een bepaalde richting en weer terug
    De schommel ging heen en weer en de kinderen genoten.
Afgeleide begrippen
Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Zusterprojecten
Hulpmiddelen
In andere talen