haat

Uit WikiWoordenboek

Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

enkelvoud meervoud
naamwoord haat -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

haat, m

  1. sterk gevoel van vijandschap.
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
haten

haat

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van haten
    Ik haat.
  2. gebiedende wijs van haten
    Haat!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van haten
    Haat je?


Tetum

Hoofdtelwoord

haat

  1. vier
Persoonlijke instellingen