haat
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | haat | - |
| verkleinwoord | - | - |
Zelfstandig naamwoord
haat, m
- sterk gevoel van vijandschap.
Vertalingen
Werkwoord
| vervoeging van |
| haten |
haat
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van haten
- Ik haat.
- gebiedende wijs van haten
- Haat!
- (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van haten
- Haat je?
Tetum
Hoofdtelwoord
haat