gok

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • gok
enkelvoud meervoud
naamwoord gok gokken
verkleinwoord gokje gokjes

Zelfstandig naamwoord

gok m

  1. een keuze zonder het juiste antwoord te weten
    Het was een gok, maar ik heb toch het juiste antwoord gekozen.
  2. een buitensporig grote neus
    Je zal toch met zo'n gok gezegend zijn...
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
gokken

gok

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van gokken
    Ik gok.
  2. gebiedende wijs van gokken
    Gok!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van gokken
    Gok je?