flikkeren

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • flik·ke·ren
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
flikkeren
flikkerde
geflikkerd
zwak -d volledig

Werkwoord

flikkeren

  1. (inergatief) afwisselend meer en minder of helemaal geen licht geven of terugkaatsen
    De lampjes blijven flikkeren.
  2. (inergatief), (informeel) vallen
    Hij is van de trap geflikkerd.
  3. (overgankelijk), (informeel) gooien
    Flikker die PC het raam uit.
  4. (dysfemisme) geslachtgemeenschap hebben, i.h.b. van homosexuelen
Synoniemen