flikkeren
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- flik·ke·ren
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| flikkeren |
flikkerde |
geflikkerd |
| zwak -d | volledig | |
Werkwoord
flikkeren
- (inergatief) afwisselend meer en minder of helemaal geen licht geven of terugkaatsen
- De lampjes blijven flikkeren.
- (inergatief), (informeel) vallen
- Hij is van de trap geflikkerd.
- (overgankelijk), (informeel) gooien
- Flikker die PC het raam uit.
- (dysfemisme) geslachtgemeenschap hebben, i.h.b. van homosexuelen