evenaar

Uit WikiWoordenboek

Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak

(klemtoonhomogram) évenaar

evenáár

  • IPA:
    • (Noord-Nederland) /evəˈnar/
    • (Vlaanderen, Brabant, Limburg) /evəˈnar/
Woordafbreking
  • eve·naar

Zelfstandig naamwoord

enkelvoud meervoud
naamwoord evenaar evenaars
verkleinwoord

évenaar m

  1. (aardrijkskunde) een denkbeeldige cirkel die op een hemellichaam het noordelijk van het zuidelijk halfrond scheidt.
    Bij het voor het eerst passeren van de evenaar werden passagiers aan boord van schepen met Neptunus geconfronteerd.
  2. (archaïsch) (1811) [1]: dat wat gelijk van gewicht is, evenwicht.
    ..die den evenaar van de fransche en spaansche Mogentheden noode zagen overslaan. -- Hooft
Synoniemen
Verwante begrippen
Vertalingen

Meer informatie

Werkwoord

vervoeging van
evenaren

evenáár

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van evenaren
    Ik evenaar.
  2. gebiedende wijs van evenaren
    Evenaar!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van evenaren
    Evenaar je?
Referenties
  1. Nederduitsch taalkundig woordenboek. P. Weiland 1807-1811
Persoonlijke instellingen