equator
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- equa·tor
Woordherkomst en -opbouw
- Van het Latijnse "aequare" (gelijkmaken, evenaren)
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | equator | equators |
| verkleinwoord |
Zelfstandig naamwoord
equator m
- (aardrijkskunde), (landmeetkunde) de denkbeeldige scheidslijn tussen het noordelijk en zuidelijk halfrond op aarde of op de hemelglobe
- Het vlak van de equator staat haaks op de aardas, midden tussen de polen. en strekt zich uit tot aan de hemelglobe.
- (biologie), (anatomie) de grens van het tandvlees
- De prothetische equator van de afzonderlijke tanden.
Synoniemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
- aardas, breedte, breedtecirkel, grootcirkel, hemelglobe, keerkring, meridiaan, noorderbreedte, noordpool, nulmeridiaan, parallelcirkel, poolcirkel, zuiderbreedte, zuidpool
Vertalingen
1. een denkbeeldige cirkel die op een hemellichaam het noordelijk van het zuidelijk halfrond scheidt
Meer informatie
- Zie de doorverwijspagina op Wikipedia voor meer informatie.
