eier

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Afrikaans

Uitspraak
  • IPA: /ˈəɪ̯jər/
enkelvoud meervoud
naamwoord eier eiers

Zelfstandig naamwoord

eier

  1. ei


Noors

Uitspraak
Woordafbreking
  • ei·er
Woordherkomst en -opbouw
  • Afgeleid van het werkwoord eie met het achtervoegsel -r.
  enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief   eier     eieren     eiere     eierne  
genitief   eiers     eierens     eieres     eiernes  

Zelfstandig naamwoord

eier m

  1. bezitter, eigenaar (mannelijke vorm)
    «Eiere av luksusbiler må regne med et voldsomt verditap om de vil kvitte seg med doningen.»
    Eigenaren van luxeauto's moeten er rekening mee houden dat zich een erg groot waardeverlies voordat als ze van hun luxeauto af willen komen.
  2. bezitster, eigenares (vrouwelijke vorm)
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen