eier

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken
Andere schrijfwijzen Niet te verwarren met: Eier

Afrikaans

Uitspraak
  • IPA: / ˈəɪ̯jər /
enkelvoud meervoud
naamwoord eier eiers

Zelfstandig naamwoord

eier

  1. ei


Noors

Uitspraak
Woordafbreking
  • ei·er
Woordherkomst en -opbouw
Naar frequentie 1010

Werkwoord

eier

  1. tegenwoordige tijd van eie
  enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief   eier     eieren     eiere     eierne  
genitief   eiers     eierens     eieres     eiernes  

Zelfstandig naamwoord

eier, m

  1. bezitter, eigenaar (mannelijke vorm)
    «Eiere av luksusbiler må regne med et voldsomt verditap om de vil kvitte seg med doningen.»
    Eigenaren van luxeauto's moeten er rekening mee houden dat zich een erg groot waardeverlies voordat als ze van hun luxeauto af willen komen.
  2. bezitster, eigenares (vrouwelijke vorm)
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen