eega
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- ee·ga
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | eega | eega's |
| verkleinwoord | eegaatje | eegaatjes |
Zelfstandig naamwoord
- (formeel) een echtgenoot
- Ze besloot niet meer bij haar eega te blijven.