eega

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ee·ga
enkelvoud meervoud
naamwoord eega eega's
verkleinwoord eegaatje eegaatjes

Zelfstandig naamwoord

eega v/m

  1. (formeel) een echtgenoot
    Ze besloot niet meer bij haar eega te blijven.