durven

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Uitspraak
  • IPA: /ˈdʏr.və(n)/
Woordafbreking
  • dur·ven
Woordherkomst en -opbouw
durven

(erfwoord)

Van Germaans *þarf-
Op zijn beurt van Indo-Europees *terp-.
Andere Germaanse talen
Oudfries *thurva, Oudsaksisch thurḅan
Oudhoogduits thurfan (Duits dürfen)
Gotisch *𐌸𐌰𐌿𐍂𐌱𐌰.
Oudnoors þurfa (Zweeds tarva)
Andere Indo-Europese talen
Oudgrieks τερπειν
Slavisch trěbě, Russisch требоватъ.
dorst

(erfwoord)

Van Germaans *ders-
Opzijn beurt van Indo-Europees: dʰers-
Andere Germaanse talen
Oudfries dūra (Fries doare)
Oudhoogduits giturran, Oudsaskisch gidurran,
Angelsaksisch: durran (Engels: dare)
(preterito-praesentium).

Andere Indo-Europese talen

Oudgrieks θαρσειν ‘dapper zijn’.
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
durven
durfde
dorst
gedurfd
zwak -d

onregelmatig

volledig

Werkwoord

durven

  1. (inergatief) ~ te de moed hebben iets te doen
    Hij dorst zich daar niet meer te laten zien.
Opmerkingen
  1. De vorm "dorst" is in het noorden goeddeels verdrongen door de regelmatig zwakke vorm "durfde".
  2. In de voltooide tijd wordt het deelwoord vaak vervangen door de onbepaalde wijs.
    Ik heb niet durven kijken.
  3. Lijdende vormen zijn niet gebruikelijk.
Vertalingen