durven
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
- IPA: /ˈdʏr.və(n)/
Woordafbreking
- dur·ven
Woordherkomst en -opbouw
(erfwoord)
|
(erfwoord)
|
|
Andere Indo-Europese talen
|
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| durven |
durfde dorst |
gedurfd |
| zwak -d
onregelmatig |
volledig | |
Werkwoord
durven
- (inergatief) ~ te de moed hebben iets te doen
- Hij dorst zich daar niet meer te laten zien.
Opmerkingen
- De vorm "dorst" is in het noorden goeddeels verdrongen door de regelmatig zwakke vorm "durfde".
- In de voltooide tijd wordt het deelwoord vaak vervangen door de onbepaalde wijs.
- Ik heb niet durven kijken.
- Lijdende vormen zijn niet gebruikelijk.