dorst
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | dorst | |
| verkleinwoord |
Woordafbreking
- dorst
Zelfstandig naamwoord
dorst m
- behoefte aan water.
Vertalingen
Werkwoord
| vervoeging van |
| dorsen |
dorst
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van dorsen
- Jij dorst.
- derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van dorsen
- Hij dorst.
- verouderde gebiedende wijs meervoud van dorsen
- Dorst!
| vervoeging van |
| dorsten |
dorst
| vervoeging van |
| durven |
dorst
- enkelvoud verleden tijd van durven
- Ik dorst, jij dorst, hij dorst.
Opmerkingen
- In het noorden is dit woord, als verleden tijdsvorm van durven, verouderd, wordt weinig gebruikt en zal door veel mensen niet begrepen worden.