dunken
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- dun·ken
Woordherkomst en -opbouw
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| dunken |
docht |
gedocht |
| zwak -cht | volledig | [1] |
Werkwoord
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| dunken |
dunkte |
gedunkt |
| zwak -t | volledig | [2] |
dunken
- (onpersoonlijk) (koppelwerkwoord) voorkomen
- Dat is, me dunkt, een hele klus.
- (basketball) hoog springen om de ball in de basket te leggen
Opmerkingen
Andere tijden zijn archaïsch:
- me docht (arch.)
- het heeft mij gedocht (arch.)
Afgeleide begrippen
- [1] goeddunken
Verwante begrippen
- [1] dunk