dominee
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- do·mi·nee
Woordherkomst en -opbouw
- Van Latijn dominus (heer).
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | dominee | dominees |
| verkleinwoord | domineetje | domineetjes |
Zelfstandig naamwoord
dominee m
- (religie) een voorganger van een protestantse eredienst
Vertalingen
1. een voorganger van een protestantse eredienst