predikant

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • pre·di·kant
enkelvoud meervoud
naamwoord predikant predikanten
verkleinwoord predikantje predikantjes

Zelfstandig naamwoord

predikant m

  1. (religie) iemand die gerechtigd is een kerkdienst te leiden in een protestantse kerk
    De predikant kondigde aan welk gezang er gezongen ging worden en ging zitten.
Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Zusterprojecten
Hulpmiddelen
In andere talen