predikant
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- pre·di·kant
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | predikant | predikanten |
| verkleinwoord | predikantje | predikantjes |
Zelfstandig naamwoord
predikant m
- (religie) iemand die gerechtigd is een kerkdienst te leiden in een protestantse kerk
- De predikant kondigde aan welk gezang er gezongen ging worden en ging zitten.