buigen
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- bui·gen
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| buigen |
boog |
gebogen |
| klasse 2 | volledig | |
Werkwoord
buigen
- (overgankelijk) krommend vervormen
- Hij boog het ijzer.
- (inergatief) een buiging maken
- Hij boog diep bij de begroeting van de hoge gast.
- (wederkerend) zich ~ over: aandacht besteden aan iets
- De regeringen zullen zich diep moeten buigen over de problemen ontstaan in de economie.
Afgeleide begrippen
- afbuigen, doorbuigen, inbuigen, meebuigen, neerbuigen, ombuigen, rechtbuigen, terugbuigen, toebuigen, uitbuigen, verbuigen, vooroverbuigen
Uitdrukkingen en gezegden
- [3]: zich buigen over...
aandacht schenken aan...
Vertalingen
1. krommend vervormen