plooien
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
| naamwoord van handeling | |
|---|---|
| zelfstandig | bijvoeglijk |
| plooien | plooiend |
| plooiing | plooibaar |
| plooisel | - |
Uitspraak
Woordafbreking
- plooi·en
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| plooien |
plooide |
geplooid |
| zwak -d | volledig | |
Werkwoord
plooien
- (overgankelijk) iets in losse vouwen opstapelen
- Vouw de pijpen netjes over elkaar en plooi de broek over de hanger.[1]
- (overgankelijk) rimpelen van het gezicht, veranderen van gezichtsuitdrukking
- Hij plooit zijn gezicht in een grijns.
- (overgankelijk) geschikt maken, vormen, ombuigen
- Sinds mijn overstap kan zij haar baan plooien rond mijn regelmatige bestaan als docent.[2]
- (wederkerend) zich schikken naar
- De taal plooit zich voortdurend naar de veranderende omstandigheden.
- Opvallend gewillig plooit hij zich in die rol.
Uitdrukkingen en gezegden
- schikken en plooien
Afgeleide begrippen
Vertalingen
Verwijzingen
Zelfstandig naamwoord
plooien mv
- meervoud van het zelfstandig naamwoord plooi