branden

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bran·den

Zelfstandig naamwoord

branden mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord brand
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
branden
brandde
gebrand
zwak -d volledig

Werkwoord

branden

  1. (onovergankelijk) verteerd worden door vuur
  2. (overgankelijk) aan vuur blootstellen of als brandstof gebruiken
Gelijkklinkende woorden
Verwante begrippen
Vertalingen


Deens

Woordafbreking
  • bran·den

Zelfstandig naamwoord

branden, g

  1. bepaalde vorm nominatief enkelvoud van brand


Noors

Woordafbreking
  • bran·den
Naar frequentie 20912

Zelfstandig naamwoord

branden, m

  1. bepaalde vorm nominatief enkelvoud van brand

Zelfstandig naamwoord

branden, m

  1. bepaalde vorm nominatief enkelvoud van brande


Nynorsk

Woordafbreking
  • bran·den

Zelfstandig naamwoord

branden, m

  1. bepaalde vorm nominatief enkelvoud van brand

Zelfstandig naamwoord

branden, m

  1. bepaalde vorm nominatief enkelvoud van brande