boter

Uit WikiWoordenboek

Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bo·ter
Woordherkomst en -opbouw
  • Ontleend aan het Latijnse butyrum.
enkelvoud meervoud
naamwoord boter -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

boter v/m

  1. gekarnde en geknede room van melk, meestal gebruikt als voedingsstof.
    Hij smeerde een dikke laag boter op zijn brood.
  2. vervangproduct voor boter, geproduceerd uit plantenvet.
    Als ik "boter" zeg, dan bedoel ik margarine, niet roomboter.
Synoniemen
Hyperoniemen
Hyponiemen
Uitdrukkingen en gezegden
  • boter op het hoofd hebben
    • zelf niet geheel onschuldig zijn in een zaak die men iemand anders verwijt
  • botertje aan/tot de boom[1]
    • zo goed als men zich maar wensen kan; allemaal mooi en goed
  • Er zit een haar(tje) in de boter.
    • Er hapert iets aan de zaak.
  • Hij heeft de boter gegeten.
    • Hij krijgt de schuld.
  • Het is boter aan de galg (gesmeerd).
    • Het heeft geen zin; het is vergeefse moeite.
  • met zijn neus/gat in de boter vallen
    • (onverwacht) in een goede situatie terechtkomen
  • Het boterde niet tussen piet en klaas.
    • Piet en klaas konden niet goed met elkaar overweg.
Referenties
  1. "Boom" is hier een samentrekking van "bodem".
Vertalingen

Meer informatie



Papiamento

Woordherkomst en -opbouw
  • Van het Engelse bottle, met rotacisme.
enkelvoud of
impliciet meervoud
expliciet meervoud
  boter     boternan  

Zelfstandig naamwoord

boter

  1. fles
Schrijfwijzen
  • Schrijfwijze op Bonaire en Curaçao: bòter.
Persoonlijke instellingen