blinken

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • blin·ken
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
blinken
blonk
geblonken
klasse 3 volledig

Werkwoord

blinken

  1. (absoluut) in opvallende mate licht weerkaatsen of uitzenden
    Het duin blonk in het felle zonlicht.
Afgeleide begrippen
Vertalingen


Duits

Werkwoord

blinken

  1. glanzen
    «Die frisch geputzten Felgen blinken in der Sonne.»
    De goed schoongemaakte velgen blinken in de zon.


Noors

Woordafbreking
  • blin·ken
Naar frequentie 7793

Zelfstandig naamwoord

blinken, m

  1. bepaalde vorm nominatief enkelvoud van blink


Nynorsk

Woordafbreking
  • blin·ken

Zelfstandig naamwoord

blinken, m

  1. bepaalde vorm nominatief enkelvoud van blink