blinken

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • blin·ken
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
blinken
blonk
geblonken
klasse 3 volledig

Werkwoord

blinken

  1. (inergatief) in opvallende mate licht weerkaatsen of uitzenden
    Het duin blonk in het felle zonlicht.
Afgeleide begrippen
Vertalingen


Duits

Werkwoord

blinken

  1. glanzen
    «Die frisch geputzten Felgen blinken in der Sonne.»
    De goed schoongemaakte velgen blinken in de zon.


Noors

Woordafbreking
  • blin·ken

Zelfstandig naamwoord

blinken m

  1. mannelijke vorm van nominatief bepaald enkelvoud van blink


Nynorsk

Woordafbreking
  • blin·ken

Zelfstandig naamwoord

blinken m

  1. nominatief bepaald enkelvoud van blink
Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Zusterprojecten
Hulpmiddelen
In andere talen