blinken
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- blin·ken
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| blinken |
blonk |
geblonken |
| klasse 3 | volledig | |
Werkwoord
blinken
- (inergatief) in opvallende mate licht weerkaatsen of uitzenden
- Het duin blonk in het felle zonlicht.
Afgeleide begrippen
Vertalingen
1. in opvallende mate licht weerkaatsen of uitzenden
Duits
Werkwoord
blinken
- glanzen
- «Die frisch geputzten Felgen blinken in der Sonne.»
- De goed schoongemaakte velgen blinken in de zon.
- «Die frisch geputzten Felgen blinken in der Sonne.»
Noors
Woordafbreking
- blin·ken
Zelfstandig naamwoord
blinken m
- mannelijke vorm van nominatief bepaald enkelvoud van blink
Nynorsk
Woordafbreking
- blin·ken
Zelfstandig naamwoord
blinken m
- nominatief bepaald enkelvoud van blink
Categorieën:
- Woorden in het Nederlands
- Sterk werkwoord klasse 3 in het Nederlands
- Werkwoord in het Nederlands
- Niet-samengesteld werkwoord in het Nederlands
- Inergatief werkwoord in het Nederlands
- Woorden in het Duits
- Werkwoord in het Duits
- Woorden in het Noors
- Zelfstandig naamwoord in het Noors
- Woorden in het Nynorsk
- Zelfstandig naamwoord in het Nynorsk