blaak

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • blaak

Werkwoord

vervoeging van
blaken

blaak

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van blaken
    Ik blaak.
  2. gebiedende wijs van blaken
    Blaak!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van blaken
    Blaak je?
enkelvoud meervoud
naamwoord blaak blaken
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

blaak m

  1. een grasveld om de was op te bleken en drogen
Synoniemen


Limburgs

Uitspraak

Zelfstandig naamwoord

blaak m

  1. een grasveld om de was op te doen drogen
Verbuiging
Afgeleide begrippen