bleek
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- bleek
| stellend | vergrotend | overtreffend | |
|---|---|---|---|
| onverbogen | bleek | bleker | bleekst |
| verbogen | bleke | blekere | bleekste |
Bijvoeglijk naamwoord
bleek
- gering van kleur
- Na die skivakantie hadden alle bleke gezichten weer kleur gekregen.
Vertalingen
1. gering van kleur
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| bleken |
bleek
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bleken
- Ik bleek.
- gebiedende wijs van bleken
- Bleek!
- (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bleken
- Bleek je?
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| blijken |
bleek
- enkelvoud verleden tijd van blijken
- Ik bleek.
- Jij bleek.
- Hij, zij, het bleek.
- Ik bleek.
Vaste voorzetsels
- bleek uit
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | bleek | bleken |
| verkleinwoord | - | - |
Zelfstandig naamwoord
- een grasveld waarop wasgoed in het zonlicht te bleken werd gelegd