beurs
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- beurs
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | beurs | beurzen |
| verkleinwoord | beursje | beursjes |
Zelfstandig naamwoord
- (economie), (handel) het beursgebouw waar effecten (waardepapieren) gekocht en verkocht worden
- een houder voor munten en biljetten
- (financieel) toelage voor iemand die studeren wil
- (financieel), (handel) tentoonstelling waar producenten in een bepaalde brache, nieuwe producten tonen
- een markt waar de transacties openbaar zijn en waar men financiële instrumenten, goederen of diensten kan aan- en verkopen.
- (medisch) slijmbeurs (een kleine zakvormige holte gevuld met een visceuze vloeistof, welke dient als stootkussen op plaatsen, waar druk of wrijving bestaat)
Synoniemen
- [2] geldbuidel, portemonnee
- [3] studiebeurs
- [4] jaarbeurs, vakbeurs
- [6] slijmbeurs
Hyponiemen
- graanbeurs, handelsbeurs, jaarbeurs, prestatiebeurs, slijmbeurs, studiebeurs, termijnbeurs, vakbeurs, voorbeurs
Afgeleide begrippen
Vertalingen
1. het beursgebouw waar aandelen gekocht en verkocht worden
2. een houder voor munten en biljetten
3. toelage voor iemand die studeren wil
4. bijeenkomst waar producenten van een bepaald vakgebied meest nieuwe producten tentoonspreiden
| stellend | vergrotend | overtreffend | |
|---|---|---|---|
| onverbogen | beurs | beurser | beurst |
| verbogen | beurse | beursere | beurste |
Bijvoeglijk naamwoord
beurs
Vertalingen
1. overrijp, buikziek
Meer informatie
- Zie Wikipedia voor meer informatie.