beurs

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • beurs
enkelvoud meervoud
naamwoord beurs beurzen
verkleinwoord beursje beursjes

Zelfstandig naamwoord

beurs v/m

  1. (economie), (handel) het beursgebouw waar effecten (waardepapieren) gekocht en verkocht worden
  2. een houder voor munten en biljetten
  3. (financieel) toelage voor iemand die studeren wil
  4. (financieel), (handel) tentoonstelling waar producenten in een bepaalde brache, nieuwe producten tonen
  5. een markt waar de transacties openbaar zijn en waar men financiële instrumenten, goederen of diensten kan aan- en verkopen.
  6. (medisch) slijmbeurs (een kleine zakvormige holte gevuld met een visceuze vloeistof, welke dient als stootkussen op plaatsen, waar druk of wrijving bestaat)
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen beurs beurser beurst
verbogen beurse beursere beurste

Bijvoeglijk naamwoord

beurs

  1. overrijp, buikziek
  2. beschadigd
Vertalingen

Meer informatie