markt
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- markt
Woordherkomst en -opbouw
- Van Latijn mercatus (markt), van Latijn mercari (handel drijven).
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | markt | markten |
| verkleinwoord | marktje | marktjes |
Zelfstandig naamwoord
- (handel) plein of straat waar handelaren hun waar (3) aan de klanten verkopen
- (economie), (handel) de markt het geheel van omstandigheden waaronder gevraagde en aangeboden hoeveelheden van een bepaald product of een bepaalde dienst verhandeld worden tegen een bepaalde prijs
- Dat ligt goed in de markt.
Verwante begrippen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Spreekwoorden
- van alle markten thuis
Vertalingen
warenverkoop op pleinen en straten
geheel van omstandigheden waaronder hoeveelheden van producten of diensten verhandeld worden
Meer informatie
- Zie Wikipedia voor meer informatie.