beroeren

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
naamwoord van handeling
zelfstandig bijvoeglijk
beroeren beroerend
beroering beroerd
Woordafbreking
  • be·roe·ren
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
beroeren
beroerde
beroerd
zwak -d volledig

Werkwoord

beroeren

  1. (overgankelijk) onrust veroorzaken, in onrustige beweging brengen
    De komst van de grote groep motorrijders beroerde de gemoederen in het kleine dorpje.
  2. (overgankelijk) aanraken
    In de beschutting van het struikgewas betraden zij voor het eerst het pad van de liefde en beroerden elkaars lippen.
Synoniemen