beroeren
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
| naamwoord van handeling | |
|---|---|
| zelfstandig | bijvoeglijk |
| beroeren | beroerend |
| beroering | beroerd |
Woordafbreking
- be·roe·ren
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| beroeren |
beroerde |
beroerd |
| zwak -d | volledig | |
Werkwoord
beroeren
- (overgankelijk) onrust veroorzaken, in onrustige beweging brengen
- De komst van de grote groep motorrijders beroerde de gemoederen in het kleine dorpje.
- (overgankelijk) aanraken
- In de beschutting van het struikgewas betraden zij voor het eerst het pad van de liefde en beroerden elkaars lippen.