astma

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ast·ma
enkelvoud meervoud
naamwoord astma -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

astma o of v/m

  1. (medisch) een ziekte die, door vernauwing van de luchtwegen, benauwdheid en hoestbuien veroorzaakt
    Hij had speciale medicijnen tegen zijn astma.
Vertalingen

Meer informatie


Deens

Zelfstandig naamwoord

astma, g

  1. (medisch) astma


Fins

Zelfstandig naamwoord

astma

  1. (medisch) astma


Noors

Uitspraak
Woordafbreking
  • ast·ma
Woordherkomst en -opbouw
  • Afkomstig uit het Grieks
Naar frequentie 15004
  enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief   astma     astmaen     astmaer     astmaene  
genitief   astmas     astmaens     astmaers     astmaenes  

Zelfstandig naamwoord

astma m

  1. (medisch) astma
    «Personer med astma bør ikke utsettes for sigarettrøyk.»
    Mensen met astma moeten uit de sigarettenrook gehouden worden.
Synoniemen
Afgeleide begrippen


Nynorsk

Uitspraak
Woordafbreking
  • ast·ma
Woordherkomst en -opbouw
  • Afkomstig uit het Grieks
  enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief   astma     astmaen     astmaer     astmaene  

Zelfstandig naamwoord

astma, m

  1. (medisch) astma.
    «Han er sterkt plaga av astma
    Hij heeft erg veel last van astma.
Synoniemen
Afgeleide begrippen


Pools

Zelfstandig naamwoord

astma v

  1. (medisch) astma.
Verbuiging


Servo-Kroatisch

Zelfstandig naamwoord

astma v

  1. (medisch) astma.


Slowaaks

Zelfstandig naamwoord

astma v

  1. (medisch) astma.


Tsjechisch

Zelfstandig naamwoord

astma o

  1. (medisch) astma.


Zweeds

  enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief   astma     astman     -     -  
genitief   astmas     astmans     -     -  

Zelfstandig naamwoord

astma, g

  1. (medisch) astma.