argument
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- ar·gu·ment
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | argument | argumenten |
| verkleinwoord | argumentje | argumentjes |
Zelfstandig naamwoord
argument o
- een aangevoerd feit in een discussie om een zienswijze te ondersteunen.
- Dat bleek een belangrijk argument in de discussie.
- een reden om iets te doen.
- Dat was een belangrijk argument voor de benoeming tot nationaal park.
- (wiskunde), (informatica) een variabele waar een functie van afhangt.
- De functie f(x,y) heeft twee argumenten, namelijk x en y.
Vertalingen
1. een aangevoerd feit in een discussie om een zienswijze te ondersteunen
Verwante begrippen
Meer informatie
- Zie Wikipedia voor meer informatie.
Engels
Zelfstandig naamwoord
argument