minister

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • mi·nis·ter
Woordherkomst en -opbouw
  • Afkomstig van het Latijnse minister (dienaar).
enkelvoud meervoud
naamwoord minister ministers
verkleinwoord ministertje ministertjes

Zelfstandig naamwoord

minister m

  1. (regering) een persoon die deelneemt aan de regering van een land
Uitdrukkingen en gezegden

Aankomend minister van Buitenlandse Zaken.

Vertalingen


Engels

Zelfstandig naamwoord

minister

  1. (regering) minister


Pools

Zelfstandig naamwoord

minister

  1. (regering) minister
Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Zusterprojecten
Hulpmiddelen
In andere talen